|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
 |
 |
| Publicatiedatum |
30 Maart 1992 |
| Land van oorsprong |
Italië |
| Gebruik |
Renhond |
| FCI classificatie |
Groep 10: Windhonden
Sectie 3: Kortharige windhonden
Zonder werkproef |
| Kort historisch overzicht |
Het Italiaanse windhondje stamt af van kleine windhonden, die al in het oude Egypte voorkwamen aan het hof van de Farao´s. Via Laconië (Griekenland), alwaar vele afbeeldingen op vazen en schalen hiervan getuigen, is het ras in Italië beland vanaf de vijfde eeuw voor Christus. De grootste ontwikkeling van het ras vond plaats tijdens de Renaissance, aan het hof van de adel. Niet zelden vindt men het Italiaanse windhondje afgebeeld op schilderijen van de grootste Italiaanse en buitenlandse meesters. |
| Algemeen voorkomen |
Lange ledematen, vierkante bouw, zijn verschijning doet denken aan een miniatuurgreyhound en -sloughi. Kan als toonbeeld van bevalligheid en adel beschouwd worden. |
| Belangrijke verhoudingen |
De lichaamslengte is gelijk aan of iets minder dan de schofthoogte. De lengte van de schedel bedraagt de helft van de lengte van het hoofd. De lengte van het hoofd kan tot 40 % van de schofthoogte bedragen. |
| Gedrag & Karakter |
Gereserveerd, aanhankelijk, dociel. |
| Hoofd |
Lang en smal van vorm, de lengte van het hoofd kan tot 40 % van de schofthoogte bedragen.
Schedeldeel
| Schedel |
Platte schedel, waarbij de bovenbelijningen van de schedel en de voorsnuit parallel lopen. De lengte van de schedel bedraagt de helft van de lengte van het hoofd. Het gedeelte onde de oogkassen moet goed geciseleerd (besneden) zijn. |
| Stop |
Zeer geringe stop |
Aangezichtsdeel
| Neus |
Donker gekleurd, bij voorkeur zwart met goed geopende neusgaten. |
| Voorsnuit |
Spits toelopend, de lipranden donker gepigmenteerd; lippen fijn en strak tegen de kaak aanliggend. |
| Kaak |
Lang, met goed kroonvormig geplaatste snijtanden, krachtig in verhouding tot de grootte van de hond. |
| Wangen |
Droog. |
| Gebit |
Gezond en compleet. Tanden haaks op de kaken ingeplant, schaargebit. |
| Ogen |
Groot en expressief, de oogbol noch diep verzonken, noch uitpuilend. De iris moet donker zijn, de randen van de oogleden gepigmenteerd. |
| Oren |
Goed, hoog aangezet, klein, met dun kraakbeen. Het oor wordt achterwaarts gevouwen en wordt achter op de nek en hoog op de hals gedragen. Bij oplettendheid wordt het onderste gedeelte van het oor omhoog geheven, terwijl het bovenste gedeelte zijdelings horizontaal gedragen wordt “als dakjes”. |
|
| Hals |
| Zijaanzicht |
Licht gebogen bovenbelijning, die aan de onderzijde abrupt in de schoft overgaat. |
| Lengte |
Gelijk aan de lengte van het hoofd. |
| Vorm |
Afgeknot kegelvormig, goed bespierd. |
| Huid |
Droog en zonder keelhuid |
|
| Lichaam |
De lichaamslengte is gelijk aan of nauwelijks minder dan de schofthoogte
| Bovenbelijning |
Recht zijaanzicht met een gebogen rug- lendenbelijning, die vloeiend overgaat in het kruis. |
| Rug |
Recht, goed bespierd met een diepe borstkas die tot aan de ellebogen reikt. |
| Schoft |
Voldoende geprononceerd. |
| Borst |
Nauw. |
| Kruis |
Sterk hellend, breed en bespierd. |
|
| Staart |
Laag aangezet, reeds vanaf de staartwortel dun en gelijdelijk versmallend tot aan de punt. Zij wordt wat de eerste helft betreft laag en recht gedragen, en vervolgens naar boven gebogen. Als zij tussen de achterbenen naar boven wordt getrokken, moet zij iets boven de hoogte van de heup uitkomen. Kort behaard. |
| Ledematen |
Voorhand
Totaalbeeld: recht met een droge bespiering.
| Schouder |
Een weinig schuin met goed ontwikelde bespiering, duidelijk afgetekend. |
| Opperarm |
Met een stompe hoek tussen opperarm en schouder en evenwijdigaan de middenas van het lichaam. |
| Ellebogen |
Noch naar binnen-, noch naar buiten draaiend. |
| Onderarm |
De lengte van het been, gemeten vanaf de grond tot aan de elleboog, bedraagt nauwelijks meer dan de lengte van de elleboog tot aan de schoft; zeer fijn bot; de onderarm goed verticaal geplaatst, gezien van de voor- zowel als zijkant. |
| Middenvoet |
Gelegen in het verlengde van de verticale lijn van de onderarm; van opzij gezien staat hij een weinig schuin. |
| Voet |
Bijna ovaal van vorm, klein, met gebogen en goed aaneengesloten tenen. Voetkussentjes gepigmenteerd. De nagels zwart of donker al naar gelang de kleur van de vacht en van de voet, waarop wit is toegestaan. |
Achterhand
Totaalbeeld en van achteren gezien: goed recht.
| Dij |
Lang, droog, niet zwaar, met een goed afgetekende bespiering. |
| Onderbeen |
Zeer schuin, fijn van bot, met een duidelijk aanwezige groef in het spronggewricht. |
| Spronggewricht & middenvoet |
Liggen in het verlengde van de denkbeeldige verticale lijn getrokken vanuit de punt van het zitbeen. |
| Voet |
Minder ovaal dan de voorvoet met gebogen en goed aaneengesloten tenen; voetkussentjes en nagels goed gepigmenteerd zoals bij de voorvoeten. |
| Huid |
Fijn en goed aanliggend op alle plaatsen van het lichaam, uitgezonderd op de ellebogen, waar de huid iets minder strak is. |
|
| Gangwerk |
Verend, harmonieus, geen hackney (niet steppend). Snelle galop met korte afzet. |
| Vacht |
| Beharing |
De vacht is kort en fijn over het hele lichaam zonder enige franje. |
| Kleur |
Eenkleurig zwart, grijs, leigrijs, leikleurig en geel (in het Italiaans isabel) in alle nuances. Wit is slechts toegestaan op borst en voeten. |
|
| Grootte & Gewicht |
| Schofthoogte |
Minimaal 32 cm, maximaal 38 cm, zowel voor reuen als voor teven |
| Gewicht |
Maximaal 5kg, zowel voor reuen als voor teven. |
|
| Fouten |
Iedere afwijking van de voorstaande rasbeschrijving vormt een fout, welke tijdens de keuring bestraft moet worden al naar gelang de zwaarte en voorkomen. Dit geldt ook voor honden die voortdurend in telgang gang en die een hackney of hoog-steppend gangwerk vertonen. |
| Eliminerende fouten |
Duidelijk holle of bolle bovenbelijning van snuit en schedel, neusspiegel geheel of gedeeltelijk ongepigmenteerd, holle of bolle bovenbelijning van de voorsnuit, Hubertusklauwtjes, boven de ruglijn gedragen staart, meerkleurige vacht, wit buiten op de in de standaard aangegeven plaatsen, Grootte kleiner dan 32 cm of groter dan 38 cm zowel voor reuen als voor teven. |
| Diskwalificerende fouten |
Over- of onderbijt, glasogen, totaal pigmentgebrek op de rand van de oogleden, geen staart of korte staart, hetzij aangeboren hetzij later veroorzaakt.
NB reuen moeten twee normaal uitziende en volledig ingedaalde testikels hebben. |
|
 |
 |
|
|
|
 |
|
|
|
|
|